HANS SEGERS

Hans Segers
Indra Devriendt

Kennis van het verleden is essentieel voor het voortbestaan van onze cultuur, we dragen het mee en zijn er schatplichtig aan. Schilderkunst heeft een rijk verleden, waarin veel facetten benut en uitgepuurd zijn. Hoe kunnen we daar in het actuele kunstgebeuren mee omgaan en wat is vandaag de relevantie van de schilderkundige beeldtaal?

Het oeuvre van Hans Segers is een zoektocht naar de essentie van schilderkunst. Hij startte zijn onderzoek in de jaren ’80, een periode waarin het niet meer vanzelfsprekend was om te schilderen. Hij stelde het medium zelf in vraag en trachtte aan te tonen wat de waarde van elementaire schilderkundige technieken en materiaal kan zijn. Door terug te gaan naar basistechnieken bouwt hij een schilderij opnieuw op via een formalistische benadering. Zijn werk bestaat uit verschillende onderzoeksfases die telkens een ander aspect van schilderkunst belichten. Elke onderzoeksperiode sluit hij af met een expositie, waarin het werkproces belangrijker is dan het resultaat op zich.

Segers’ werk getuigt sterk van liefde voor het vakmanschap en een voortdurende drang om de klassieke vaardigheden van schilderkunst te beheersen. Omdat hij geen gebruik maakt van digitale media, zoals de meeste actuele stromingen, is hij eerder een buitenbeentje. Hij baseert zich op de traditie van de schilderkunst en tracht deze systematisch te ontleden en te interpreteren. Hij probeert zijn schilderijen op verschillende niveaus in te vullen: esthetisch, decoratief, als ‘trompe l’oeil’, als object, als imitatie van de realiteit, als gesacraliseerd kunstvoorwerp en conceptueel benaderd.

In de jaren ’80 experimenteert hij met de mogelijkheden van verf, lijnvoering, geste en compositie wat resulteert in decoratieve doeken. Vanaf de jaren ’90 breidt hij zijn onderzoek uit naar ruimte en volume. Hij zoekt binnen de schilderkunst naar vormen die hem intrigeren en laat ze zweven op doek, zodat ze ruimtelijke illusies creëren.

In een volgende reeks bevraagt hij de inhoudelijke betekenis van beelden. Hij grijpt hiervoor terug naar ‘études de peinture,’ een term die in het classicisme gebruikt werd. Deze benaming verwijst naar een voorstudie als voorbereiding op een groot werk, zodat de kunstenaar zich dingen kan toe-eigenen om door te dringen tot de essentie van de zaak.

Segers past het begrip ‘études’ toe en maakt hierin vier onderverdelingen: ‘études d’un éspace’, ‘écrins’, ‘boîtes à images’ en ‘images trouvées’. Deze werken presenteert hij zoals een 17e eeuws prentenkabinet.

Aanvankelijk reduceert hij een ruimte tot geometrische vlakken, een open kubus of doos en pictogrammen van een ruimte. Stilaan evolueren zijn werken naar gesloten, minder toegankelijke ruimtes: kisten of schrijnen die hun geheimen verborgen houden. Voor de ‘images trouvées’ kiest hij details uit de klassieke schilderkunst, fresco’s, geschilderde reclameboodschappen en opschriften uit naïeve amateur-schilderijen. Op die manier analyseert hij gevonden, eerder geschilderde beelden. Hij ziet het als een nadenken over deze beelden, terwijl het uitvoeren van het onderzoek een beeld op zich vormt.

In deze fase functioneert voor Segers het schilderij als object. Er ontstaat een ruimte die op twee niveaus leesbaar is, een zintuiglijk waarneembare en een imaginaire, mentale ruimte.
Het beeld moet vrij zijn van emoties, zodat de toeschouwer er zelf een invulling aan kan geven. Door het ontbreken van informatie, krijgt de kijker de kans om tijd en belevenissen in het schilderij te projecteren. Het schilderij, opgevat als mentale constructie, komt nog explicieter aan bod in‘étagères vides’ en ‘chambres à mémoire’. De lege schappen roepen een gevoel van ‘trompe l’oeil’ op, waardoor de geschilderde ruimte bijna een reële ruimte wordt. ‘Chambres à mémoire’ zijn geconstrueerde kamers waarmee hij verwijst naar hoe we omgaan met de herinnering van een ruimte. Een plaats kan je veroveren en een functie toewijzen. De toeschouwer kan een denkbeeldige ruimte betreden, ze van gedaante veranderen en ze naar een concrete ruimte vertalen.

Een volgende stap in zijn onderzoek is ‘d’ après nature’. Deze benaming werd vooral in de 18e en 19e eeuw toegepast in de beeldende kunsten en verwijst naar de natuurgetrouwe weergave van zaken die door de handvaardigheid van de kunstenaar tot stand komen. De kwaliteit van de imitatie is daarbij belangrijker dan de realiteit van het geïmiteerde zelf.
De nabootsing van de natuur staat nu centraal in Segers’ werk. Hij gebruikt de natuur als metafoor en werkt voornamelijk met houtimitatie. Hij creëert beschilderde objecten en gesacraliseerde voorwerpen in de traditionele betekenis van het kunstvoorwerp.

Zijn recentste werk richt zich op de conceptuele benadering van een beeld. Hij kopieert een postkaart, waarop een namaakschilderij van een vaas met bloemen geschilderd is. Zo wil hij een interpretatie van een weergave van een vaas geven, die in feite al een vervalsing van de realiteit is. Hij stelt de relatie tussen realiteit en de interpretatie ervan in vraag en zo ook de waarde van schilderkunst als een plaatsvervangende realiteit.


Indra Devriendt, augustus 2009
< retour